Woord van de Wèèk: Zoebele.
Woord van de Wèèk: Zoebele. Foto: Marieke Lemmen
Dialectrubriek

Woord van de Wèèk: Zoebele

Human Interest 130 keer gelezen

GENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Zoebele.

Als je geregeld op baby’s past, krijg je vroeg of laat te maken met helemaal doorweekte slabbetjes van het zè.jvere. Dat is volgens ons dialectwoordenboek in het Nederlands ‘kwijlen’ of ‘zabberen’. ‘Zabberen’ met een ‘z’ kent Van Dale trouwens niet, wel ‘sabberen’ (o.a. knoeien, kladden), ‘zabber’ (kwijl) en ‘zabben’ (sabbelen). Van Dale noemt die woorden trouwens ‘gewestelijk’. Maar via ‘sabbelen’ komen wel bij ons woord van deze week terecht.

zoebele ww (zoebelde; gezoebeld) zuigen, sabbelen: Óp die snuupkes mótte zoebele, dâ’s goe.d vör de kèèl.

De elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten geeft bij het Nederlandse woord ‘sabbelen’ vooral in Oost- en Zuid-Nederland maar liefst 25 verschillende dialectvormen, de meeste met een ‘a’, zoals ‘sabben’, ‘sjabben’, ‘sjabbeln’, ‘zabben’, ‘zaben’, ‘zabbeln’, ‘zabeln’. Maar met name in oostelijk Noord-Brabant, Zuid-Gelderland en Noord-Limburg zien we ook de vormen ‘zoebele’ en ‘soebele’. Het woord gaat terug op ‘zabberen’ dat ‘morsen’ of ‘knoeien’ betekent. Die betekenis ontwikkelt zich dan naar ‘kluivend zuigen’ en ‘kwijlen bij het eten’. En dat is precies wat baby’s doen als je ze bijvoorbeeld een stukje brood geeft. Dat daarbij hun slabberlap kletsnat wordt, lijkt me een duidelijk bewijs dat de oorsprong van het woord zoebele inderdaad met ‘kwijlen’ te maken heeft.

Mit de kómplemé.nte van Sjaak Kroon, én duut hin!

Reageren: s.kroon@tilburguniversity.edu

Stuur jouw foto
Mail de redactie
Meld een correctie

Uit de krant