
Woord van de Wèèk
Human Interest 138 keer gelezenGENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Sprok.
Door de grote droogte vallen niet alleen de blaadjes nu al van de bomen, maar ook de nodige dorre takken. Die werden vroeger verzameld als sprokkelhout. En dat is een mooi bruggetje naar ons woord van deze week.
sprok bn droog; bros: De rog is zö sprok dat de köön uut de aore valle. Ik vien die sprokke kuukskes ’t lékkerst.
Het Middelnederlandse ‘sproc’ betekent oorspronkelijk ‘takje’. Later, zo blijkt uit het Woordenboek der Nederlandsche Taal, wordt dat ‘sprok’, een ‘droge of dorre tak’, en als bijvoeglijk naamwoord ook ‘bros’ of ‘broos’, vooral gezegd van hout. Het woord staat ook zo in Van Dale, maar met de aantekening ‘gewestelijk’. En in die betekenis komt sprok ook voor in de oostelijke en zuidelijke dialecten van Nederland. In ons eigen dialect zien we sprok terug in sprokaos, de larve van de kokerjuffer die in een kokertje van hout leeft en gebruikt wordt als visaas. Maar wie denkt dat ‘sprokkelmaand’ als aanduiding van de maand februari er ook iets mee te maken heeft, heeft het mis. Daar hebben we te maken met een verbastering van het Latijnse woord ‘spurcalia’ dat verwijst naar de ‘onzedelijke’ feesten die in die maand werden gevierd. Carnaval dus.
Mit de kómplemé.nte van Sjaak Kroon, én duut hin!
Reageren: s.kroon@tilburguniversity.edu.


















