
Woord van de Wèèk: Sémmel
Human Interest 164 keer gelezenGENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Sémmel.
Wat ènne sémmel! Ik zeg het graag, met lekker veel nadruk op de s-klank en in allerlei situaties. Maar wat is sémmel eigenlijk?
sémmel zn m/v (-s, -ke) zeurkous: Dâ is mien enne sémmel én zien vrow is nog érger. zn m gezeur; onzin: Wat enne sémmel is dâ wèr. Ik ziej dèn sèmmel mit de verkiezinge hillemôl zat.
Sémmel kan dus gezegd worden van zeurende mannen (enne sémmel) of vrouwen (’n sémmel), maar zelf gebruik ik het zo nooit. Voor mij is enne sémmel gezeur, onzin en nog veel meer. Wel een bijzondere woordvorm voor ‘gezeur’. Je zou eerder iets verwachten als ‘gesémmel’. Voor ‘zeurkous’, ‘treuzelaar’, ‘kletsmajoor’ hebben we in het dialectwoordenboek nog de woorden sémmelkloot,
siemelezè.jkerd en sémmelzak. Al deze woorden zijn afgeleid van sémmele, ‘zaniken, zeuren’, ‘treuzelen’; ‘domme praat verkopen’. Sémmele, een variant van het oudere ‘sammelen’, vinden we overigens in heel Nederland, maar meestal met een ‘z’ als beginklank. In ons woordenboek hebben we ook varianten met ‘z’ opgenomen: zémmele, zémmelzak, zémmel. Van Dale heeft ‘zemelen’, voor ‘pietluttig doen’ en ‘zeuren’. In het Limburgs en Brabants kan ‘zemelen’ ook nog ‘motregenen’ betekenen, bij ons bekend als ziemele. In het ‘Niederrheinische’ woordenboekje van Polders staat nog ‘Semmelsejk’, ‘onzin’, dat weer aansluit bij het ‘onzin’ van ons sémmel.
Mit de kómplemé.nte van Herman Giesbers, én duut hin!
Reageren? herman.giesbers@outlook.com




















