
Woord van de Wèèk: Wulleboon
Human Interest 164 keer gelezenGENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Wulleboon.
Van kinderen wordt wel gezegd dat ze een hekel hebben aan spruitjes. Helemaal gaar gekookt zijn die inderdaad niet echt lekker. Een groente die vroeger op mijn lekkerlijst niet al te hoog scoorde, was de tuinboon.
wulleboon zn v (-e, -böntje) tuinboon: Wulleboone zien lékker mit kèèssaws d’r ovverhin.
Vroeger bij ons thuis heetten tuinbonen groote boone. Dat is niet zo gek als je ze vergelijkt met de veel kleinere sperzieboon
(brèèkböntjes of wasböntjes). ‘Tuinboon’ vind ik trouwens een tamelijk nietszeggende naam. Alle bonen groeien tenslotte in de tuin. Dus wat zegt dat nou over het soort boon waar het om gaat. Dan is wulleboon heel wat sprekender. Wul is in ons dialect het woord voor ‘wol’. Een wulleboon is dus eigenlijk een ‘wolboon’ en wie ze wel eens
gedöpt heeft, snapt meteen waarom. Aan de binnenkant van de peul zit een wollig laagje en daarmee wrijven is een volksmiddel tegen wratten. Van Dale kent ‘wolboon’ niet, maar varianten van wulleboon komen in het hele Kleverlandse dialectgebied voor. Daarbij spant Groesbeek de kroon met maar liefst zes verschillende woorden voor de tuinboon: ‘wullebôn’, ‘wollebôn’, ‘grötte bôn’, ‘pèrdsbôn’, ‘soldaotetee.n’ en ‘flodderbôn’. Maar of dat betekent dat ze tuinbonen lekker vonden?
Mit de kómplemé.nte van Sjaak Kroon, én duut hin!
Reageren: s.kroon@tilburguniversity.edu

















