
Woord van de Wèèk: Gélp
Human Interest 82 keer gelezenGENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Gélp.
Het is weer de tijd dat de plantjes uitkomen en het blad van veel bomen doorbreekt. De kleur van al dat jonge blad is vaak oogverblindend helder, fris en weelderig groen. Dat, en meer, zien we terug in gélp.
gélp bn/bw (-er, -st) mals; welig in bladgroei; fris: De wasböntjes zien lékker gélp. Ik kan de plé.ntjes ien de kas nie te veul waoter gèève, anders worre ze gélp. Kiek, dâ is now ’n gélpe vrow.
Het woord ‘gelp’ komt al voor in de dertiende eeuw. Het is verwant met het Middelnederlandse ‘gelpen’ of ‘galpen’ dat ‘schreeuwen’ of ‘pralen’ betekent. De eerste betekenis van ‘gelp’ is dan ‘welig of weelderig groeiend’ (gezegd van planten). Die betekenis heeft het in veel Nederlandse dialecten en ze staat, met de aantekening ‘gewestelijk’, ook in Van Dale. Maar al in het Middelnederlands betekent ‘gelp’ naast weelderig ook ‘geil’ en ‘dartel’, vooral gezegd van vrouwen. In onze voorbeeldzin wordt alleen de afgezwakte betekenis ‘fris’ in verband gebracht met vrouwen. Het Maas en Waals woordenboek is veel directer en geeft ‘vol, mollig, welgevormd en fris (van vrouwelijke ledematen)’ als betekenis. Een derde betekenis is ‘trots’ en ‘overmoedig’ (verwant met ‘pralen’), maar die komt bij ons niet voor.
Mit de kómplemé.nte van Sjaak Kroon, én duut hin!
Reageren: s.kroon@tilburguniversity.edu


















