
Woord van de Wèèk: Garst
Human Interest 143 keer gelezenGENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Garst.
Een lezer uit Heijen schrijft ons dat zijn vader als boerenknecht ga.st spék te eten kreeg, ‘ranzig spek’. Hij vond dit ga.st niet in het dialectwoordenboek, maar het staat er wel in, als zie-verwijzing onderaan bij het stukje over ga.st: zie garst (ranzig).
garst/ga.rst zn v gerst: De ga.rst stèt d’r moj óp. bn (-er, -st) ranzig: Dit garste spék kunde wègsmiete; dâ smikt nie mèr.
‘Garst’ komt al eeuwen voor naast de vorm ‘gerst’. Ga.st voor ‘ranzig’ is dan weer ontstaan doordat de ‘r’ opgegaan is in de ‘s’. Voor ‘ranzig’ hebben we verder nog het verwante woord garstig. In het Nederlands en het Duits is ‘garstig’ tot in de 18e eeuw het gangbare woord voor ‘ranzig’ geweest. Vanaf die tijd is het verdrongen door ‘ranzig’, dat ontleend is aan het Franse ‘rance’. We zien ‘garstig’ dan ook in heel Nederland nog als regionaal woord voor ‘ranzig’, in allerlei varianten, en het woord staat ook in Van Dale, ook in de Duitse. In het Duits heeft ‘garstig’ naast ‘ranzig’ nog veel andere betekenissen zoals ‘boos, bars’, ‘akelig, naar’, ‘vervelend, onhebbelijk’. En dan is ‘garstig’ volgens een uitleenwoordenboek ook nog eens terechtgekomen in verre oorden, bijvoorbeeld als ‘gasti’ in een variant van het Maleis.
Mit de kómplemé.nte van Herman Giesbers, én duut hin!
Reageren? herman.giesbers@outlook.com.


















