Woord van de Wèèk
Woord van de Wèèk Foto: Marieke Lemmen
DIALECTRUBRIEK

Woord van de Wèèk: Hècht

Human Interest 94 keer gelezen

GENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Hécht.

Vaak kunnen dingen met verschillende woorden worden benoemd. Een voorbeeld is het woordpaar hécht en hicht. In het woordenboek wordt dit woord besproken bij hécht en bij hicht staat een zie-verwijzing. Gewoon omdat hécht alfabetisch eerder komt, niet omdat het meer gebruikt wordt. Ik meen me zelfs te herinneren dat mijn vader hicht gebruikte.

hécht zn v (-te, héchje) handvat, heft: Ik hèb nog ’n schèrmés mit ’n hönne hécht én ’n toffelmés mit ’n butte hécht.

Een hécht of hicht is het handvat van een stuk gereedschap, zwaard, mes of beitel, dat volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal van een ander materiaal is gemaakt dan het gereedschap zelf. Dat zien we in onze voorbeeldzin: een hoornen (hönne) en benen (butte) handvat (hécht). In het Oudnederlands is handvat ‘heft’. Dat is afgeleid van ‘heffen’, oorspronkelijk aanpakken, of ‘hebben’, oorspronkelijk vasthouden. Maar het woord verandert al vroeg in ‘hecht’ om dan in de vijftiende eeuw weer ‘heft’ te worden. De gemeenschappelijke oorsprong van beide woorden is nog te zien bij Van Dale die ‘hecht’ en ‘heft’ samen behandelt. In het Venloos en Venrays woordenboek komt de vorm ‘hecht’ trouwens niet voor. Daar zeggen ze, net als mijn vader, ‘hich’ of ‘hicht’.

Mit de kómplemé.nte van Sjaak Kroon, én duut hin!

Reageren: s.kroon@tilburguniversity.edu.

Stuur jouw foto
Mail de redactie
Meld een correctie

Uit de krant