
Woord van de Wèèk: poesterig
Human Interest 1.304 keer gelezenGENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is poesterig.
Met de decemberdagen in aantocht kun je je met al dat eten en drinken poesterig of poestig gaan voelen. Van huis uit ken ik het van mijn moeder die het woord gebruikte om aan te geven dat ze genoeg koffie had gedronken. Poesterig heeft echter meerdere betekenissen. In het woordenboek staat het als volgt.
poesterig bn (-er, -st) pafferig; volgegeten, volgedronken; smoezelig: Nee, duut mar gènne pódding mèr, ik vuul mien nów al poesterig. Zal ik ów poesterig snuutje ’s moj schôn wasse?
In het Groesbeeks woordenboek betekent poesterig ook ‘smoezelig’, maar ook ‘niet lekker voelen’ en ‘warm’. In Zwolle betekent het naast ‘smoezelig’ ook ‘grieperig, bleek, ziekelijk’ en in Deventer bovendien ‘kortademig’. Venray voegt nog ‘hardlijvig’ toe. In het Limburgs etymologisch woordenboek staat ‘pafferig dik, opgeblazen’. Dat ‘opgeblazen’ komt het dichtst bij ons ‘volgegeten, volgedronken’. Poesterig komt van het Middelnederlandse poesten, ‘blazen’, en dat past bij ‘opgeblazen’. Een oud woord dus, maar poesterig word je blijkbaar niet alleen van te veel koffie.
Mit de kómplemé.nte van Herman Giesbers, én duut hin!
herman.giesbers@outlook.com



















