
Woord van de Wèèk: Stummel
Algemeen 85 keer gelezenGENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Stummel.
Ik kan me nog goed de tijd herinneren dat er op verjaardagen, naast een bakje pinda’s en een schaaltje schijfjes gekookt ei, ook een glas met sigaretten op tafel stond. En na het feest werden dan de asbakken geleegd. Die lagen dan vol, u raadt het al, met peuken.
stummel zn m (-s, -tje) stompje, peuk: Ik raap de stummels van de siegaore én siegrétte bïjjèn.
In Van Dale vinden we dit woord als ‘stommel’ met als betekenissen ‘blok brandhout’, ‘stengel van bonen en erwten’, ‘boomstronk’ en ‘korte stenen tabakspijp’. Het woord komt al voor in het Middelnederlands met als algemene omschrijving ‘door afsnijden, afbreken enz. gevormd overblijvend eind of overblijvende rest, inzonderheid van een gewas’, een ‘stomp’ dus. Het woord komt in die algemene betekenis ook in verschillende dialecten voor als ‘stommel, ‘stummel’, ‘stoemel’ of ‘sjtoemel’. Het kan soms ook ‘klein mens’ en ‘mannelijk lid’ betekenen. Beide betekenissen zijn, net als ‘peuk’, goed te herleiden tot de grondbetekenis ‘stomp’. ‘Stummel’ bestaat ook in het Duits. Het hangt samen met ‘verstümmeln’ (verminken) en gaat terug op het Oud- en Middelhoogduitse ‘stumbal’ (verminkt) en ‘stumbel’ (afgesneden stuk). Een oud woord dus, gebruikt voor een nieuw ding, een sigarettenpeuk, maar hoe lang nog?
Mit de kómplemé.nte van Sjaak Kroon, én duut hin!
Reageren: s.kroon@tilburguniversity.edu.




















