
Woord van de Wèèk: Loeps
Human Interest 3 keer gelezenGENNEP | De schrijvers van het Genneps Dialectwoordenboek blijven ook na de presentatie in oktober actief. Begrippen en woorden uit het dialectwoordenboek en uit de actualiteit en door lezers aangedragen vragen worden beurtelings besproken door Herman Giesbers en Sjaak Kroon. Het woord van deze week is Loeps.
Blaffende honden bijten niet, maar als een hond gromt, moet je uitkijken. Ook als zijn baasje geruststellend zegt dat hij niks doet, want je weet nooit zeker of de hond dat ook weet en of hij niet vals is.
loeps bn/nw (-er, -t) vals; kwaadwillend: Kiek uut vör dèn loepsen
hó.nd. Dâ is enne loepse kèl.
Loeps is een woord dat je niet vaak meer hoort. Ook in het dialect zeggen we tegenwoordig eerder va.ls. Uit de tweede voorbeeldzin blijkt dat loeps ook op mensen kan slaan. Zo zien we het woord ook terug in loepoor, luupoor en luu.perd (valserik, gluiperd, vals persoon). De herkomst van loeps is mooi te zien in luupend dat dezelfde betekenis heeft. Het gaat terug op het Middelnederlandse ‘lupen’ of ‘luypen’ dat ‘gluipen, loeren, iemand verraderlijk overvallen of van achteren aanvallen’ betekent. Zo iemand is een gluiperd. In het Venloos is een ‘loep’ een ‘valserik’ en kan het ‘loepetig kald’ (gemeen koud) zijn. Een ‘loep’ is in Venray ‘een grof, lomp iemand’ en ‘luupe’ is in Groesbeek ‘gluiperig loeren’ en een ‘luupende’ een ‘onbetrouwbaar, louche persoon’. Ook in het woord ‘luipaard’ – een verbastering van het Griekse leopardus – zit een verwijzing naar de veronderstelde valsheid van het beest.
Mit de kómplemé.nte van Sjaak Kroon, én duut hin!
Reageren: s.kroon@tilburguniversity.edu.


















